De vordering

Inleiding

Stichting Reprorecht (“SR”) is krachtens art. 16d van de Auteurswet (Aw) een door de minister van justitie aangewezen privaatrechtelijke rechtspersoon die belast is met het innen van vergoedingen die men verschuldigd is aan de auteursrechthebbenden, indien werken waarop auteursrecht rust, analoog worden gekopieerd. Een fotokopie uit een boek, krant of tijdschrift. SR gebruikt deze aanwijzing om alle organisaties in Nederland, jaarlijks (proactief) een ‘factuur’ (berekening) te sturen, op basis van het door SR zelf geschatte aantal kopieën uit een boek, krant of tijdschrift, dat binnen de betreffende organisatie zou worden gemaakt.

Bedrijfsleven
Aanvankelijk werd deze inschatting bij het bedrijfsleven gemaakt door een door SR bepaald percentage van het totale aantal geschatte kopieën, vermenigvuldigd met € 0,045 per kopie, als uitgangspunt voor de reprorechtvergoedingen te nemen (de oude regeling). Tegenwoordig wordt een systeem van forfaitaire bedragen gehanteerd. SR heeft in overleg met VNO-NCW en MKB Nederland tarieftabellen opgesteld op basis waarvan deze vergoedingen worden vastgesteld, de zogenaamde Regeling Reprorecht Bedrijfsleven (“RRB”). De organisaties zijn in deze tabellen ingedeeld op basis van het aantal werknemers en de sector waarin het bedrijf actief is. De te betalen vergoedingen lopen ruwweg uiteen van € 18,00 tot € 5.019,00 of meer per organisatie per jaar, waarmee door SR gesuggereerd wordt dat er in uw organisatie honderden tot tienduizenden kopieën van boeken, kranten en tijdschriften per jaar worden gemaakt. Deze schatting wordt dus louter gebaseerd op uw bedrijfscategorie (bedrijfstak) en het aantal in uw organisatie werkzame personen (blijkens de gegevens in het Handelsregister).

Onderwijs
Bij onderwijsorganisaties wordt deze inschatting gemaakt door een door SR met de PO raad en VO raad overeengekomen bedrag per leerling te hanteren. Voor PO is dit bedrag ruwweg € 2,37 per leerling en voor VO bedraagt dit € 1,82 per leerling. Voor het onderwijs geldt dat een kopie uit een boek, krant of tijdschrift, € 0,011 kost per pagina. Dit bedrag is vastgelegd in de wet. Met de bedragen die SR per leerling hanteert, wordt het aantal kopieën uit een boek, krant of tijdschrift, geschat op respectievelijk tweehonderdvijfenveertig (245) en honderdvijfenzestig (165) per leerling, per jaar.

Wat gaat er mis?

Helaas hanteert SR allerlei criteria behalve de enig juiste: het feitelijke door u gemaakte aantal kopieën uit een boek, krant of tijdschrift. Dit leidt ertoe dat organisaties die minder kopieën uit een boek, krant of tijdschrift maken dan waarvoor ze worden aangeslagen, volgens SR toch moeten betalen voor kopieën die niet gemaakt zijn. Dit is onrechtvaardig en in strijd met de strekking van de wet. De structuur van art. 16h Aw is immers een verbod tot kopiëren uit een boek, krant of tijdschrift, tenzij een vergoeding voor de betreffende kopie is betaald. Het is de bedoeling van de wetgever dat organisaties met SR overeenkomen hoeveel kopieën er redelijkerwijs uit een boek, krant of tijdschrift worden gemaakt en dus hoe hoog de vergoeding dient te zijn. SR heeft géén bevoegdheid om eenzijdig te bepalen hoe hoog de vergoeding moet zijn en daarvoor bindende facturen aan organisaties te richten en heeft ook géén bevoegdheid om eenzijdig te bepalen aan welke criteria moet worden voldaan om tot een gezamenlijke overeenkomst te komen.

De wijze waarop SR de genoemde “berekening” aan organisaties mededeelt, wordt door veel organisaties als suggestief en misleidend ervaren: SR wekt namelijk door onder meer het opschrift, het taalgebruik en het bijvoegen van een acceptgiro ten onrechte de indruk dat het feitelijk zou gaan om een ‘factuur’. Bovendien wordt in eerste opslag geenszins duidelijk wat u feitelijk bij SR koopt. Slechts bij nauwgezette lezing van de ‘kleine lettertjes’, blijkt dat de betreffende aanschrijving van SR geen ‘factuur’ is, maar niet meer is dan een aanbod om met de aangeschreven partij tot overeenstemming te komen. Een voorstel omtrent de hoogte van de te betalen vergoeding, gebaseerd op vaak (tien)duizenden kopieën van boeken, kranten en tijdschriften, die passen binnen de licentievoorwaarden van SR. Simpelweg een offerte dus. SR doet er alles aan om de schijn van een betalingsverplichting te creëren en te behouden. Hiertoe gebruikt zij in al haar communicatie consequent de term ‘factuur’, stuurt zij ‘betalingsherinneringen’, ‘aanmaningen’, ‘incassoaankondigingen’ en schakelt zij tot slot zelfs GGN (een incassobureau) in om middels een zogenaamde “pre-incasso brief” het bedrag van de ‘factuur’ alsnog te incasseren. Dit alles zonder dat sprake is van enige vastgestelde betalingsverplichting. SR heeft met deze werkwijze kennelijk uitsluitend als oogmerk dat zoveel mogelijk organisaties deze ‘factuur’ voldoen, als ware het een ‘aanslag’, in plaats van er op te wijzen dat de wijze van berekening en de hoogte van de berekende vergoeding niets anders is dan een voorstel, waarop u niet genoodzaakt bent in te gaan.

Betaling van de ‘factuur’ geldt volgens SR als aanvaarding van het aanbod, zodat (in de onjuiste visie van SR), hierdoor een privaatrechtelijke overeenkomst tot stand gekomen zou zijn tussen SR en uw organisatie. Hierop worden (nog steeds: volgens SR) tevens diens algemene voorwaarden, waarnaar zij in haar voorstel verwijst, van toepassing. Uw organisatie zou derhalve door de enkele betaling van de ‘factuur’, zonder zich hiervan bewust te zijn, contractueel gebonden worden aan SR, de door SR gehanteerde wijze van berekening en de overige door SR gestelde voorwaarden, zodat SR ook in de daaropvolgende jaren deze vergoedingen in rekening zou mogen brengen. Hetgeen zij ook daadwerkelijk regelmatig doet. Dit standpunt is juridisch volgens onze opvatting echter onhoudbaar.

Zelfs organisaties die gebruik maken van de mogelijkheid om via de website van SR aan te geven dat er geen kopieerapparaat in de organisatie aanwezig is of dat er binnen de organisatie geen kopieën van boeken, kranten en tijdschriften worden gemaakt, lopen in de opvatting van SR, het risico dat zij door het inzenden van het elektronische formulier, zich ongewild conformeren aan de voorwaarden van SR.

Conclusie

Het resultaat van deze onjuiste en, naar ons idee, misleidende werkwijze is, dat een zeer groot aantal Nederlandse organisaties, jaarlijks een in de ogen van SR benodigde licentie verwerven, zonder dat feitelijk is vastgesteld of zij deze licentie ook daadwerkelijk nodig hebben. SR incasseert met deze werkwijze gemiddeld zo’n twintig miljoen euro per jaar. Er is hier volgens ons dan ook sprake van een maatschappelijke misstand.

Van de organisaties waarmee wij over deze materie contact hebben gehad, blijkt tot nu toe dat deze vrijwel allemaal onnodig hoge licentiegelden hebben afgedragen aan SR. Bovendien weigert SR structureel met onze opdrachtgevers, met tussenkomst van ons, in gesprek te gaan. Dit onderstreept in onze ogen nog eens dat SR zich op een enorme schaal schuldig maakt aan het structureel misleiden van organisaties en het misbruik maken van haar (ogenschijnlijke) machtspositie.

Er is hierom dan ook in onze visie meer dan voldoende reden om overeenkomsten die tot stand (zouden) zijn gekomen tussen SR en organisaties juridisch aan te tasten en (deels) te vernietigen/ nietig te laten verklaren.